MENU 
Nieuws

<<  <   Pagina 3 van 5  >  >>

 De agenda!

Overdracht Maria-kapelletje..

De Blaasinstrumenten

De fanfare bestaat uit allemaal verschillende blaasinstrumenten. Trompetten, Fluiten, Tuba’s, Schuiftrombones,Saxofoons  bassen enz. Dit noemen we ook wel koperinstrumenten.

De blaasinstrumenten kunnen uiteraard worden bespeeld door jong en oud. Alle instrumenten worden bespeeld  door lucht in het instrument te blazen. Maar het geluid ontstaat doordat je tegelijkertijd je lippen  “spant” op het mondstuk. Hoe beter je lipspanning hoe mooier je toon. Dit is alleen te bereiken door vaak te oefenen en steeds wat hogere noten te blazen. Hierdoor wordt je lipspanning heel sterk en gaat het blazen heel gemakkelijk. De kleine instrumenten maken een hoge toon, denk  bijvoorbeeld aan een trompet

of cornet. Deze instrumenten spelen vaak de melodie.

De grotere instrumenten maken dus vaak een lagere toon. Deze heeft binnen de fanfare een onderstem. Dat betekent dat ze niet de melodie spelen, maar de melodie    instrumenten ondersteunt zodat het als een mooi geheel klinkt. En natuurlijk hebben we ook bassen. In de optocht zie je ze vaak achteraan met een hele grote kelk boven het hoofd van de blazer.

De slaginstrumenten

 

Een ander woord voor slagwerk is trommels. Je hebt verschillende soorten trommels: grote trommels die dof klinken en kleine trommels die fel en scherp klinken.

De grote trommels zijn zwaar en worden bespeeld met stokken met een soort zachte kop erop. Daardoor klinkt een grote trom laag en dof maar je hoort hem in het korps heel goed. De kleine trommels worden bespeeld met houten stokken. Je kunt er ook  mee roffelen. Aan de onderkant van de  kleine trom zitten snaren waardoor de trommel scherp klinkt. Daarom heten deze trommels snaretrom. Trommels spelen samen met de blazers maar kunnen ook alleen spelen, dan spelen ze een tamboermars. Trommelen heeft heel veel te maken met ritme, ritme is de snelheid waarmee je speelt. Om te kunnen trommelen heb je een goed gevoel voor ritme nodig.